ECLI:NL:HR:2017:491

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2017
Publicatiedatum
23 maart 2017
Zaaknummer
16/00913
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep huurder wegens verkeerde partij in huurgeschil woonruimte

In deze zaak vordert een huurder de ontbinding van een huurovereenkomst en schadevergoeding, maar heeft hij dit tegen de verkeerde partij ingesteld. De kantonrechter en het gerechtshof hebben eerder uitspraak gedaan, waarbij het hof het beroep van de huurder heeft afgewezen. De huurder stelt vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten en beoordeelt de klachten van de huurder in cassatie. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) oordeelt de Hoge Raad dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering vereist is omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen.

Het cassatieberoep wordt verworpen en de huurder wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, welke nihil worden begroot aan de zijde van de wederpartijen. Hiermee bevestigt de Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof dat de vordering tegen de verkeerde partij was ingesteld.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de huurder wordt verworpen omdat de vordering tegen de verkeerde partij was ingesteld.

Uitspraak

24 maart 2017
Eerste Kamer
16/00913
EV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool,
t e g e n
1. [verweerster 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerster 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] , [verweerster 1] en [verweerster 2] .

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 2477663/13-32809 van de kantonrechter te Den Haag van 27 maart 2014;
b. De arresten in de zaak 200.151.904/01 van het gerechtshof Den Haag van 2 september 2014 en 3 november 2015.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 3 november 2015 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster 1] en [verweerster 2] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] voor zover het cassatieberoep is gericht tegen [verweerster 1] en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 10 februari 2017 op die conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster 1] en [verweerster 2] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
24 maart 2017.