Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
24 maart 2017.
Hoge Raad
In deze zaak vordert een huurder de ontbinding van een huurovereenkomst en schadevergoeding, maar heeft hij dit tegen de verkeerde partij ingesteld. De kantonrechter en het gerechtshof hebben eerder uitspraak gedaan, waarbij het hof het beroep van de huurder heeft afgewezen. De huurder stelt vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten en beoordeelt de klachten van de huurder in cassatie. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) oordeelt de Hoge Raad dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering vereist is omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen.
Het cassatieberoep wordt verworpen en de huurder wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, welke nihil worden begroot aan de zijde van de wederpartijen. Hiermee bevestigt de Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof dat de vordering tegen de verkeerde partij was ingesteld.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de huurder wordt verworpen omdat de vordering tegen de verkeerde partij was ingesteld.