Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
10 januari 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen. De raadsman van de verdachte stelde dat verdachte zich met een mes verdedigde tegen een dreigend met een hamer naderende betrokkene.
Het hof baseerde zijn oordeel op de verklaring van de vriendin van betrokkene, die stelde dat betrokkene pas een hamer pakte nadat verdachte dreigend was gekomen. Deze verklaring werd door het hof als doorslaggevend beschouwd, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze onvoldoende gemotiveerd was en dat het hof geen rekening hield met andere getuigenverklaringen die een andere voorgeschiedenis schetsten.
De Hoge Raad stelde dat het hof onvoldoende had onderbouwd waarom het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen, mede gezien de agressieve gedragingen van betrokkene en de beschermende handelingen van de buurvrouw. Desondanks verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigt het arrest van het hof.