Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
28 maart 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 september 2015, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving met de dood tot gevolg. Het beroep in cassatie werd ingesteld door de raadsman van verdachte, advocaat G. Spong.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, waarop de raadsman schriftelijk heeft gereageerd. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk is, omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter, met de raadsheren Van den Brink en Van Strien, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 28 maart 2017. Hiermee blijft het arrest van het hof in stand en wordt het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen, arrest van het hof blijft in stand.