ECLI:NL:HR:2017:528

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 maart 2017
Publicatiedatum
29 maart 2017
Zaaknummer
16/02929
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over beslag op geldbedrag en rechthebbendheid van klager

In deze zaak gaat het om een beklag tegen een beschikking van de Rechtbank Limburg, waarbij het verzoek van klager om het in beslag genomen geldbedrag van ongeveer € 45.000,- terug te krijgen, ongegrond werd verklaard. Klager, geboren in 1978, had een klacht ingediend naar aanleiding van de beslissing van de rechtbank dat hij niet als rechthebbende op het geldbedrag kon worden aangemerkt. De rechtbank had in een eerder vonnis bepaald dat het geldbedrag bewaard moest worden voor de rechthebbende, maar had niet gespecificeerd wie dat was. Dit leidde tot onduidelijkheid over de rechthebbendheid van klager.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van de rechtbank niet zonder meer begrijpelijk was, gezien het feit dat de overige in beslag genomen voorwerpen niet waren gespecificeerd. De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld had geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie gegrond verklaard en de bestreden beschikking vernietigd. De zaak is terugverwezen naar de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, voor een nieuwe behandeling van het klaagschrift.

Deze uitspraak benadrukt het belang van duidelijke specificatie van in beslag genomen voorwerpen en de rechthebbendheid in het kader van beslaglegging. De beslissing van de Hoge Raad biedt klager de mogelijkheid om zijn recht op het geldbedrag opnieuw te laten beoordelen door de rechtbank.

Uitspraak

28 maart 2017
Strafkamer
nr. S 16/02929 B
SG/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 17 mei 2016, nummer RK 16/254, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel keert zich tegen de ongegrondverklaring van het beklag.
2.2.
De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"5.3 De inhoudelijke beoordeling
5.3.1
De vaststelling van de feiten
Op 7 januari 2009 heeft onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking plaatsgevonden van de woning van klager aan de [a-straat 1] te Sittard. Tijdens deze doorzoeking werden een aantal voorwerpen inbeslaggenomen, waaronder het geldbedrag van € 45.000,00.
Klager werd verdacht van het overtreden van de opiumwet en is veroordeeld door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Limburg tot een gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Het hoger beroep tegen dat vonnis is na intrekking op 19 november 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van het geldbedrag is bepaald dat het bewaard dient te worden voor de rechthebbende.
5.3.2
De derde belanghebbende
De rechtbank is aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens nagegaan of een ander dan de klager als belanghebbende dient te worden aangemerkt. Bij gebrek aan nadere informatie van de officier van justitie heeft de rechtbank dit niet kunnen vaststellen, zodat de rechtbank maar tot de conclusie komt dat haar op dit moment niets is van gebleken.
5.3.3
De toetsing
Nu de beslissing van rechtbank tot bewaring van het geldbedrag voor de rechthebbende in kracht van gewijsde is gegaan, is er geen sprake meer van een strafvorderlijk belang bij het inbeslaghouden van het geldbedrag.
Gelet op de beslissing van de rechtbank het geldbedrag te bewaren voor de rechthebbende, is de rechtbank van oordeel dat voor de rechtbank op basis van de huidige gegevens in het dossier duidelijk is dat klager niet als rechthebbende op het geld kan worden aangemerkt. Anders was er in het vonnis wel bepaald dat het bedrag aan klager zou moeten worden teruggegeven. Nu klager geen nieuwe informatie heeft verstrekt op basis waarvan de rechtbank alsnog klager als rechthebbende zou moeten aanmerken, komt de rechtbank tot het oordeel dat het bezwaarschrift van klager afgewezen dient te worden.
De rechtbank zal het beklag dan ook ongegrond verklaren."
2.3.
Bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken bevindt zich een vonnis van de Rechtbank Maastricht van 14 juli 2010 met parketnummer 03/864002-08. Dit vonnis, dat onherroepelijk is, houdt het volgende in:
"6. Het beslag
De officier van justitie heeft gevorderd om de drie auto's die onder verdachte in beslag zijn genomen verbeurd te verklaren. Over de overige items op de beslaglijst heeft zij zich niet uitgelaten. De verdediging heeft ten aanzien van het beslag niets naar voren gebracht.
De rechtbank is van oordeel dat de volgende in beslag genomen voorwerpen: vuilniszak, pakketpost, verpakkingsmateriaal, Seat Toledo [AA-00-BB], Skoda Octavia [CC-00-DD] en de Toyota Avensis [EE-00-FF], alsmede het aankoopbewijs voertuig [EE-00-FF] verbeurd dienen te worden verklaard omdat het voorwerpen zijn waarmee de feiten zijn begaan.
De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de overige in beslag genomen voorwerpen.
(...)
8. De beslissing
(...)
Beslag
- verklaart verbeurd de in beslag genomen vuilniszak, pakketpost, verpakkingsmateriaal, Seat Toledo, Skoda Octavia en de Toyota Avensis;
- gelast dat de overige in beslag genomen goederen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende."
2.4.
De Rechtbank heeft aan haar oordeel dat de klager niet als rechthebbende op het geld kan worden aangemerkt ten grondslag gelegd dat in het onder 2.3 weergegeven vonnis is bepaald dat het geldbedrag van ongeveer € 45.000,- waarvan de teruggave door de klager wordt gevraagd, dient te worden bewaard voor de rechthebbende. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat in het vonnis "de overige in beslag genomen voorwerpen" waarvan de bewaring ten behoeve van de rechthebbende wordt gelast niet door de Rechtbank zijn gespecificeerd.
2.5.
Het middel slaagt.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking;
wijst de zaak terug naar de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 maart 2017.