Uitspraak
wonende te Suriname,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
het kind. Dit onderscheid is gerechtvaardigd gelet op de met art. 4 lid 4 RWN Pro gemoeide belangen dat (i) schijnerkenningen, te weten erkenningen met als enig doel om de Nederlandse nationaliteit en bijbehorende rechten te verkrijgen, worden bestreden en (ii) de periode van onzekerheid over de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit van korte duur is. (rov. 5.3)
Van dergelijke gronden is in dit geval geen sprake. Het is daarom in strijd met art. 8 in Pro verbinding met art. 14 EVRM Pro dat DNA-bewijs wordt geëist van het (biologische) vaderschap van [betrokkene 2] terwijl diens erkenning van [verzoeker] in Nederland wordt erkend.
Art. 4 lid 4 RWN Pro bepaalt dat door erkenning ook Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte wordt erkend door een Nederlander, die zijn biologische ouderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont.
Ten aanzien van kinderen met betrekking tot welke het ouderschap is vastgesteld door erkenning, rechterlijke uitspraak of soortgelijke procedures kan elke Staat die Partij is bepalen dat het kind zijn nationaliteit verkrijgt overeenkomstig de in zijn nationale wetgeving vastgelegde procedure (…)”
die in de nationale wetgeving zijn voorzien voor in het buitenland geboren kinderen” (eerste volzin) en “overeenkomstig de in zijn nationale wetgeving vastgelegde procedure” (tweede volzin) laten voldoende ruimte voor het door art. 4 lid 4 RWN Pro gestelde vereiste dat bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning het biologische ouderschap wordt aangetoond.
4.Beslissing
31 maart 2017.