Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
4 april 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de opgeëiste persoon tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam inzake een verzoek tot uitlevering door Canada. De verdenkingen betreffen feitelijke aanranding van de eerbaarheid, kinderpornografie, grooming, verleiding en belaging.
Het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de door Canada overgelegde stukken voldoen aan de eisen van artikel 7, eerste lid onder b sub (i), van het uitleveringsverdrag tussen Nederland en Canada. Dit artikel vereist dat ter ondersteuning van een uitleveringsverzoek het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het bevel tot aanhouding wordt overgelegd.
De Advocaat-Generaal heeft bewerkstelligd dat alsnog een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het in Canada uitgevaardigde 'Warrant for Arrest' is overgelegd. Dit document voldoet aan de verdragsbepaling. Hierdoor heeft de opgeëiste persoon geen belang meer bij het middel en wordt het cassatieberoep verworpen.
De Hoge Raad bevestigt hiermee de uitleveringsuitspraak van de Rechtbank Amsterdam en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitleveringsuitspraak wordt bevestigd.