Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
4 april 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor doodslag op zijn huisgenoot in hun woning te Zaandam. Het Gerechtshof Amsterdam had een gevangenisstraf van veertien jaar opgelegd. De verdachte stelde onder meer dat er sprake was van falende middelen met betrekking tot voorwaardelijk opzet en het gebruik van een proces-verbaal van de politie als bewijs.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat er geen noodzaak was tot nadere motivering omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de cassatiefase meer dan zestien maanden duurde.
Als gevolg daarvan werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van veertien jaar naar dertien jaar en zeven maanden. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 4 april 2017.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot dertien jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.