De zaak betreft de uitleg van artikel 16c van de Auteurswet 1912, waarin de thuiskopieregeling is vastgelegd. De vraag was of deze regeling ook geldt voor reproducties die zijn gemaakt uit illegale bronnen, en of bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding rekening mag worden gehouden met schade door downloaden uit zulke bronnen.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten, waaronder het prejudiciële arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 april 2014, waarin is geoordeeld dat het Unierecht zich verzet tegen een nationale regeling die geen onderscheid maakt tussen reproducties uit geoorloofde en ongeoorloofde bronnen. De driestappentoets van de richtlijn breidt deze beperking niet uit.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover daarin werd geoordeeld dat bij de bepaling van de thuiskopievergoeding geen rekening hoeft te worden gehouden met schade door illegaal kopiëren. De Hoge Raad verklaart voor recht dat de billijke vergoeding uitsluitend bedoeld is ter compensatie van het nadeel door reproducties binnen de thuiskopieregeling en dat schade door illegaal kopiëren niet in aanmerking wordt genomen.
Daarnaast worden proceskosten toegewezen aan ACI c.s. en worden Thuiskopie en SONT veroordeeld in de kosten van cassatie. Het incidentele beroep van Thuiskopie wordt verworpen.