Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
4 april 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor het rijden onder invloed van cannabis op 18 maart 2013 in Amsterdam. In hoger beroep voerde hij aan dat het NFI-rapport niet als bewijs mocht worden gebruikt omdat hij niet onverwijld was geïnformeerd over zijn recht op een contra-expertise van het bloedonderzoek.
Het hof verwierp dit verweer, stellende dat een contra-expertise op verzoek van de verdediging had plaatsgevonden en dat de afwijkingen in THC-concentraties wetenschappelijk verklaarbaar waren. Het hof achtte het oorspronkelijke NFI-onderzoek betrouwbaar en oordeelde dat de wetgever geen verplichting heeft opgenomen om verdachte vooraf te informeren over het recht op een contra-expertise.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de waarborgen rond het onderzoek zoals bedoeld in artikel 163, vierde lid, WVW 1994 niet omvatten dat verdachte onverwijld moet worden geïnformeerd over het recht op een tegenonderzoek. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling bleef staan.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor rijden onder invloed van cannabis.