Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
24 januari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van schuldheling van sieraden die in een chalet werden aangetroffen.
Het hof had bewezen verklaard dat verdachte en zijn medeverdachte in de periode van 30 december 2008 tot en met 16 juni 2009 sieraden met een totale nieuwwaarde van €11.700,- in bezit hadden, terwijl zij redelijkerwijs moesten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen. De sieraden waren gevonden in een kluis in het chalet dat door verdachte en medeverdachte werd bewoond.
De verdediging voerde aan dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte wist wat er in de kluis lag en dat sommige sieraden voorzien waren van labels die duidden op legale herkomst. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte en medeverdachte redelijkerwijs moesten vermoeden dat het om door misdrijf verkregen goederen ging.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het betrekking had op het onder 3 bewezen verklaarde feit en de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest voor het bewezenverklaarde feit van medeplegen schuldheling en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.