Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 30 september 2016, nr. BRE 16/1890, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 12 juli 2016.
Hoge Raad
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 september 2016, betreffende het verzet tegen een uitspraak van 12 juli 2016. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in en belanghebbende een conclusie van repliek.
De Hoge Raad beoordeelde de klachten van belanghebbende, maar oordeelde dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Verder achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 7 april 2017 door de raadsheren Wortel, Groeneveld en Beukers-van Dooren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond zonder proceskostenveroordeling.