ECLI:NL:HR:2017:625

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2017
Publicatiedatum
6 april 2017
Zaaknummer
16/05599
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart verzoek tot herziening niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht

Belanghebbende, woonachtig in Marokko, verzocht de Hoge Raad om herziening van een eerder arrest van 20 november 2015. De griffier stelde belanghebbende bij aangetekende brief van 24 december 2016 in kennis van de verschuldigdheid van griffierecht en gaf een termijn van vier weken voor betaling.

Het griffierecht werd niet voldaan. Na een nadere briefwisseling en navraag bij het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak werd bevestigd dat het griffierecht niet was betaald. De door belanghebbende overgelegde brief gaf geen aanleiding om te concluderen dat het griffierecht wel was voldaan.

Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad wees het arrest in het openbaar uit op 7 april 2017, waarbij de raadsheren Wortel, Groeneveld en Beukers-van Dooren betrokken waren.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.

Uitspraak

7 april 2017
Nr. 16/05599
Arrest
gewezen op het verzoek van
[X]te
[Z], Marokko (hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 20 november 2015, nr. 15/03483, ECLI:NL:HR:2015:3345.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 24 december 2016 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een
termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 7 februari 2017 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald.
Mede naar aanleiding van een aan de Hoge Raad doorgezonden brief gedateerd 30 januari 2017, waarin belanghebbende stelt een bedrag aan griffierecht te hebben voldaan, is informatie ingewonnen bij het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak. Van die kant is bevestigd dat voor de onderhavige procedure geen griffierecht is betaald. De brief van belanghebbende geeft geen aanleiding te oordelen dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het verzoek tot herziening moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2017.