Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.Eerdere herzieningsaanvragen
3.De aanvraag tot herziening
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
11 april 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden waarin de aanvrager werd veroordeeld voor feitelijk leiding geven aan eenvoudige bankbreuk bij rechtspersonen. De aanvrager was als enig bestuurder van een stichting feitelijk leidinggever van twee failliete vennootschappen en werd veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf omdat de administratie niet in ongeschonden staat werd overgedragen aan de curator.
Eerdere herzieningsaanvragen werden door de Hoge Raad afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard. De huidige aanvraag steunt op nieuw verkregen getuigenverklaringen van een voormalige opsporingsambtenaar en een curator, die volgens de aanvrager aantonen dat de administratie mogelijk op inbeslaggenomen computers stond en dat de curator hiervan niet op de hoogte was, wat het bewijs zou kunnen beïnvloeden.
De Hoge Raad oordeelt echter dat deze nieuwe gronden in wezen dezelfde zijn als eerder beoordeeld en onvoldoende om de aanvraag ontvankelijk te verklaren. De verwijzing van de aanvrager naar het pand waar de computers stonden, volstaat niet om aan zijn verplichting te voldoen de administratie aan de curator te verstrekken. De aanvraag wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 11 april 2017.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens onvoldoende nieuwe gronden.