Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
11 april 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een klaagschrift ingediend door klager, die verzocht om teruggave van een auto die onder hem inbeslag was genomen, terwijl de auto eigendom was van zijn broer. Klager stelde dat zijn broer de rechthebbende was en dat deze akkoord was met teruggave aan klager.
De Rechtbank Gelderland verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat de wet niet toestaat dat teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de indiener wordt gelast. De rechtbank oordeelde dat niet klager, maar zijn broer het klaagschrift had moeten indienen.
De Hoge Raad toetste de uitleg van het klaagschrift door de feitenrechter slechts op begrijpelijkheid en bevestigde dat de rechtbank het klaagschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Hoge Raad verwierp het beroep van klager en handhaafde de beslissing van de rechtbank.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaarde het klaagschrift van klager niet-ontvankelijk omdat teruggave aan een ander dan de indiener niet mogelijk is.