Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
.
4.Beslissing
24 januari 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor meervoudige ontuchtige handelingen en mishandeling van een minderjarig kind dat hij verzorgde en opvoedde. Het hof legde een gevangenisstraf van drie maanden op, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en wees een taakstraf af vanwege de ernst van de feiten.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a, Sr, een taakstraf slechts uitgesloten is indien het misdrijf een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft veroorzaakt. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval. Het hof had terecht geoordeeld dat het stelselmatig wrijven over de blote billen van het slachtoffer een ernstige inbreuk vormde.
Daarnaast had het hof de strafoplegging voldoende gemotiveerd door niet alleen de gevolgen voor het slachtoffer mee te wegen, maar ook de ernst van de bewezen feiten. Het cassatieberoep faalde omdat de motivering en toepassing van de wet juist waren.
De zaak verduidelijkt de toepassing van artikel 22b Sr en de criteria voor het opleggen van taakstraffen bij ernstige zedendelicten, waarbij zowel de aard van het delict als de impact op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer bepalend zijn.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde de strafoplegging van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de gevangenisstraf met gedeeltelijk voorwaardelijk karakter wegens ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit.