Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
18 april 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij werd geschat op €30.000.
Het hof had vastgesteld dat er ongeveer acht oogsten waren geweest, maar liet onduidelijk hoeveel daarvan binnen de bewezenverklaarde periode van minder dan vijf maanden vielen. Dit maakte de motivering van de schatting ontoereikend.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel terecht was voorgesteld en vernietigde het arrest. De zaak werd terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling binnen het bestaande hoger beroep.
De uitspraak benadrukt het belang van een voldoende gemotiveerde schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in ontnemingszaken, met een duidelijke koppeling aan de bewezenverklaarde feiten en periode.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.