ECLI:NL:HR:2017:777

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2017
Publicatiedatum
1 mei 2017
Zaaknummer
16/00547
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 359 SvArt. 415 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang en ongeschiktheid klachten

De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij was veroordeeld voor mishandeling. De schriftuur bevatte een middel dat stelde dat het hof de verklaring van de verdachte onjuist had samengevat, met name door het weglaten van de zinsnede 'om haar te kalmeren'.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Het arrest werd gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 31 januari 2017.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en ongeschiktheid van de klachten.

Uitspraak

31 januari 2017
Strafkamer
nr. S 16/00547
LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 22 januari 2016, nummer 22/003767-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.L.A.M. le Cocq d'Armandville, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
31 januari 2017.
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE:
Requirant : [verdachte]
SCHRIFTUUR: houdende een middel van cassatie in de zaak van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats], requirant in cassatie tegen een in zijn zaak door het Gerechtshof ’s-Gravenhage gewezen veroordelend arrest van 22 januari 2016.
Middel 1
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid meebrengt.
In het bijzonder zijn de artikelen 359 j° 415 Sv geschonden, doordat het hof de inhoud van de verklaring van requirant, alvorens deze voor het bewijs te bezigen, op ongeoorloofde wijze heeft samengevat, dan wel wezenlijk heeft gewijzigd. Daarmee is de bewezenverklaring (aldus) niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Toelichting
1.1
Het hof heeft requirant terzake van mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 20 uren.
1.2
In de bijlage, inhoudende de bewijsmiddelen in de zaak met rolnummer 22-003767-15, heeft het hof onder 5 opgenomen:
“5. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2016 verklaard — zakelijk weergegeven- :
Het klopt dat ik ten tijde van het ten laste gelegde feit een relatie had met [betrokkene]. Op 5 juli 2013 kregen wij een woordenwisseling. Het zou kunnen dat ik haar toen heb aangeraakt. "
1.3
In het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 8 januari 2016 is als verklaring van requirant — voor zover hier relevant - opgenomen:
"Vervolgens kwam zij rond middernacht thuis en kregen wij een woordenwisseling, omdat zij teveel alcohol had gedronken, zij rook naar de alcohol. Om boven haar uit te komen heb ik geroepen dat zij stil moest zijn vanwege de buren en dat zij rustig aan moest doen. Het zou kunnen dat ik haar toen even heb aangeraakt om haar te kalmeren.
1.4
Door de zinsnede “om haar te kalmeren” weg te laten in het bewijsmiddel is sprake van een ongeoorloofde conclusie dan wel samenvatting, en dus sprake van het denatureren van de verklaring van requirant.
Redenen waarom her bestreden arrest waartegen beroep niet in stand kan blijven. Requirant verzoekt Uw Raad het arrest te vernietigen en de strafzaak ter hernieuwde berechting en afdoening te verwijzen naar een gerechtshof.