ECLI:NL:HR:2017:779

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2017
Publicatiedatum
1 mei 2017
Zaaknummer
16/00618
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet ROArt. 14j SrArt. 359 SvArt. 415 SvArt. 123b Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang en gebrek aan cassatiemiddelen

De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch dat een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde geldboete bevestigde. De verdediging voerde aan dat het hof artikel 14j Sr en artikelen 359 en 415 Sv heeft geschonden door onvoldoende motivering van de toewijzing van de tenuitvoerleggingsvordering.

De advocaat-generaal merkte op dat de verdachte in financiële problemen verkeert en zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, waardoor de tenuitvoerlegging mogelijk zinloos is. Het hof heeft echter geen afzonderlijke gemotiveerde beslissing gegeven op de vordering tot tenuitvoerlegging en volstond met bevestiging van het vonnis van de politierechter.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat het cassatieberoep klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft of de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan cassatiemiddelen.

Uitspraak

31 januari 2017
Strafkamer
nr. S 16/00618
LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 januari 2016, nummer 20/002878-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.W. Heemskerk, advocaat te Roermond, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
31 januari 2017.
CASSATIESCHRIFTUUR
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats], requirant van cassatie.
Omvang cassatie
Het beroep in cassatie is ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, uitgesproken op 26 januari 2016, in de strafzaak met het parketnummer 20-002878-15.
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder heeft het hof artikel 14j van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 359 en 415 van het Wetboek van Strafvordering geschonden, doordat het hof de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging onvoldoende met redenen heeft omkleed.
Middel
Toelichting:
Het Openbaar Ministerie heeft een vordering gedaan tot tenuitvoerlegging van de door de politierechter te Roermond op 2 december 2013 voorwaardelijk opgelegde geldboete ter hoogte van € 200,00 (parketnummer: 96/105649-13). De verdediging heeft zich hiertegen verzet en daartoe in hoger beroep het navolgende verweer gevoerd:
"Mijn cliënt is voor de tweede keer de fout ingegaan. Het rijbewijs van cliënt zal ingevolge 123b van de Wegenverkeerswet 1994 ongeldig verklaard worden. De vordering tenuitvoerlegging heeft dan ook geen toegevoegde waarde meer. Ik verzoek de vordering tot tenuitvoerlegging dan ook af te wijzen"
De advocaat-generaal heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting weliswaar gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging, maar heeft daarbij eveneens overwogen:
"Verdachte zit in financiële problemen en zijn rijbewijs is ongeldig verklaard. Je kan jezelf afvragen of de tenuitvoerlegging dan nog zin heeft. "
Het gerechtshof heeft ten aanzien van het bovengenoemde verweer van de verdediging, en de aangehaalde woorden van de advocaat-generaal, geen afzonderlijke gemotiveerde beslissing op de vordering tot de tenuitvoerlegging genomen. Het hof heeft volstaan met het bevestigen van het vonnis waarvan beroep.
In het bevestigde vonnis van de politierechter d.d. 16 september 2015 (parketnummer: 96/124078-15, parketnummer vordering TUL: 96/105659-13) is ten aanzien van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging enkel overwogen:
"Gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Roermond d.d. 2 december 2013 in de zaak met parketnummer 96/105649-13 aan de veroordeelde opgelegde, doch voorwaardelijk niet ten uitvoergelede straf, te weten: een geldboete van € 200,00, bij geen betaling te vervangen door hechtenis voor een termijn van vier dagen. "
Deze beslissing is mede gelet op het gevoerde verweer van de verdediging op dit punt onvoldoende met redenen omkleed.
Het arrest kan gelet op bovenstaande dan ook niet in stand blijven.