Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
31 januari 2017.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 november 2015, waarin hij werd veroordeeld tot een taakstraf van 28 uur, vervangbaar door 14 dagen hechtenis. Het hof had het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte veroordeeld.
De verdachte voerde twee middelen aan: ten eerste dat het hof ten onrechte geen rekening hield met het verweer dat de blikjes samen met sigaretten aan de kassa betaald zouden worden, waardoor het gepasseerd zijn van de kassa's niet kon worden vastgesteld. Ten tweede dat het hof veroordeelde zonder voldoende bewijs, omdat de beelden waarop de veroordeling was gebaseerd niet herkenbaar waren en er geen andere bewijsvoering was.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang bij het cassatieberoep heeft of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Buruma en van den Brink, en uitgesproken op 31 januari 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.