ECLI:NL:HR:2017:801

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 2017
Publicatiedatum
2 mei 2017
Zaaknummer
16/01273
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 285 Wetboek van StrafrechtArt. 348 Wetboek van StrafvorderingArt. 359 lid 3 Wetboek van StrafvorderingArt. 415 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang en ontoereikende gronden bij bedreiging en openlijke geweldpleging

Verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken en een taakstraf van 200 uren wegens openlijke geweldpleging en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. Tegen dit arrest stelde verdachte cassatieberoep in, met als grond dat het hof onjuiste en ontoereikende motieven heeft gegeven voor de bewezenverklaring van de bedreiging.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De schriftuur van de raadsman van verdachte bevatte onder meer het betoog dat de bewezenverklaring van de bedreiging onvoldoende was gemotiveerd en dat het hof de grondslag van de tenlastelegging had verlaten. Desondanks achtte de Hoge Raad deze klachten onvoldoende om het beroep ontvankelijk te verklaren. Het arrest is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het arrest van het hof in stand blijft.

Uitspraak

7 februari 2017
Strafkamer
nr. S 16/01273
DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 16 februari 2016, nummer 23/000531-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.C. van der Velde, advocaat te Almere, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 februari 2017.
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE
Zaaknummer: S 16/01273
Parketnummer: 23/000531-13
Namens verzoeker, [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
draag ik het volgende middel voor tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam
uitgesproken op 16 februari 2016 onder parketnummer 23/000531-13
waarbij verzoeker terzake openlijke geweldpleging en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken en een taakstraf voor de duur van 200 uren.
Middel art. 285 WvS Pro, art 348 jo Pro art 359/3 WvS
Er is sprake1 van schending van recht en/of verzuim van vormen zoals bedoeld in art. 79 RO Pro, in het bijzonder art. 348 jo Pro 359 lid 3 jo art. 415 Wetboek Pro van Strafvordering jo art. 285 Wetboek Pro van Strafrecht.
Het Gerechtshof is op onjuiste en/of ontoereikende gronden tot de bewezenverklaring van feit 3 (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht) gekomen. De tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen kunnen de bewezenverklaring niet dragen.
Toelichting
Het Hof heeft onder feit 3 bewezen verklaard dat verzoeker: “[betrokkene] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [betrokkene] dreigend de woorden toegevoegd: “we hebben je kenteken, als we hier iets van horen, dan maken we je dood'"'.
De raadsman van verzoeker heeft ter terechtzitting in eerste en tweede feitelijke aanleg betoogd dat er geen bewezenverklaring kan volgen nu enkel de aangever stelt dat verzoeker de ten laste gelegde gedraging en uitgesproken bedreigende woorden heeft gebezigd. Van enige bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht is in ieder geval niet gebleken.
Verzoeker heeft ter terechtzitting nadrukkelijk ontkend aangever überhaupt te hebben bedreigd, laat staan in deze bewoordingen.
Verzoeker heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij inderdaad niet wilde dat aangever naar de politie zou gaan. Verzoeker benadrukt de woorden zoals ten laste gelegd niet te hebben gebezigd. De Rechtbank (en het Hof verwijst naar deze bewezenverklaring) gebruikt niettemin deze verklaring ter terechtzitting als bewijsmiddel. Voorts overweegt de rechtbank dat gelet op !de eerdere bedreigingen op de snelweg en de daaropvolgende mishandeling, dat de woorden van verzoeker jegens aangever niet anders worden opgevat dan een bedreiging dat [betrokkene] iets zou overkomen als hij aangifte zou doen tegen hem.
Het Hof verlaat gelet op de tekst van de bewezenverklaring hiermee de grondslag van de tenlastelegging, nu deze gedragingen helemaal niet ten laste zijn gelegd. Hofs bewezenverklaring gebaseerd op de bewijsmiddelen constructie van de rechtbank is hiermee onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, zo niet onjuist! Er is sprake van een ontoelaatbare grondslagverlating.
De beslissing van het hof op dit punt is derhalve onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, althans niet zonder meer begrijpelijk.
Op grond van voorgaand middel is verzoeker van mening dat het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, voor vernietiging en verwijzing danwel terugwijzing in aanmerking komt..