Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
28 februari 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het beschadigen van twee personenauto’s in Nijmegen in de periode van 9 juli tot en met 5 augustus 2015. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in, waarbij hij betoogde dat het hof de wettelijke bewijsminimumregel had geschonden door uitsluitend op de verklaring van één getuige de bewezenverklaring te baseren.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit is omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad baseert dit op artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en de adviezen van de Procureur-Generaal.
De Hoge Raad verklaart daarom het beroep niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee het arrest van het hof. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma op 28 februari 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.