Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 juni 2016, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Den Haag werd behandeld. De zaak betrof informatiebeschikkingen op grond van artikel 52a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en de conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de klachten oordeelde de Hoge Raad dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees ook af om proceskosten toe te wijzen aan een van de partijen. Het arrest werd door de raadsheren Schaap, Groeneveld en Wortel gewezen en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2017.