Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
28 februari 2017.
Hoge Raad
De verdachte heeft bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 maart 2016. Het beroep richt zich onder meer op de motivering van het hof omtrent de verstrekking en het afhalen van een laissez-passer voor uitzetting naar Algerije.
De Hoge Raad overweegt dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof had geoordeeld dat de verdachte de laissez-passer niet had afgehaald, maar dit oordeel was onvoldoende gemotiveerd, terwijl het hof ook niet had toegelicht waarom de verstrekking van de laissez-passer tot daadwerkelijke uitzetting moest leiden.
Daarnaast was het oordeel van het hof dat de verdachte het uitzettingsproces frustreerde onvoldoende onderbouwd, aangezien de Algerijnse autoriteiten geen gevolg geven aan de verstrekte laissez-passer en de verdachte sinds oktober 2015 in afwachting is van uitzetting. De Hoge Raad verklaart daarom het cassatieberoep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en onvoldoende motivering.