Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
9 mei 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot aanhouding van de behandeling van een strafzaak tegen een verdachte die vanwege haar werkzaamheden regelmatig in het buitenland verblijft. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 20 juli 2015 was de verdachte niet aanwezig. Een niet gemachtigde raadsman vroeg om aanhouding omdat de verdachte zelf bij de zitting aanwezig wilde zijn, maar door haar werkzaamheden in het buitenland verhinderd was.
Het hof wees het verzoek af, stellende dat het op de weg van de verdachte lag om haar raadsman tijdig te informeren over haar beschikbaarheid en dat de raadsman had moeten verifiëren of zij op de zittingsdatum aanwezig kon zijn. Tevens woog het hof het belang van een doeltreffende, spoedige berechting en een goede organisatie van de rechtspleging mee, mede omdat de zaak al eerder was aangehouden vanwege het verblijf van de verdachte in het buitenland.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof een juiste belangenafweging heeft gemaakt tussen het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het belang van de samenleving bij een voortvarende rechtsgang. Klachten over het ontbreken van een belangenafweging en over de begrijpelijkheid van het oordeel falen. Het beroep in cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het verzoek tot aanhouding van de behandeling afgewezen.