ECLI:NL:HR:2017:836

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2017
Publicatiedatum
9 mei 2017
Zaaknummer
16/04145
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in zaak medeplegen poging doodslag

De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag, waarbij hij met een geschoeide voet op het hoofd van het slachtoffer trapte, waardoor het slachtoffer bewusteloos raakte.

Verdachte stelde in cassatie meerdere middelen aan de orde, waaronder vragen over voorwaardelijk opzet, medeplegen en de betrouwbaarheid van waarnemingen van verbalisanten. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang hebben of niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, na advies van de Procureur-Generaal.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 9 mei 2017.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het hofarrest in stand bleef.

Uitspraak

9 mei 2017
Strafkamer
nr. S 16/04145
NA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 8 juli 2016, nummer 21/005721-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 mei 2017.