Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 29 september 2016, nr. 10/00840bis, betreffende een verzoek tot vergoeding van immateriële schade.
Hoge Raad
Belanghebbende, [X] B.V., had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 september 2016 over een verzoek tot vergoeding van immateriële schade.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief op 16 december 2016 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens Track&Trace afgeleverd op het opgegeven adres. Het griffierecht is echter niet voldaan.
Daarop heeft de griffier op 20 januari 2017 belanghebbende opnieuw aangetekend verzocht om opheldering over het niet tijdig betalen van het griffierecht. Belanghebbende heeft hier geen gebruik van gemaakt. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten en spreekt het arrest uit op 12 mei 2017.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.