Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 8 november 2016, nr. SGR 16/1046 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 15 juni 2016.
Hoge Raad
Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag betreffende verzet tegen een eerdere uitspraak. Het beroepschrift voldeed echter niet aan de vereisten van artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb, omdat de gronden van het beroep ontbraken.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende vervolgens per aangetekende brief in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen zes weken te herstellen. Deze termijn eindigde op 2 februari 2017, maar belanghebbende heeft het verzuim niet tijdig hersteld; een brief die op 3 februari 2017 per fax binnenkwam, werd als te laat beschouwd.
De Hoge Raad heeft daarom het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 6:6 Awb Pro. Daarnaast zijn er geen gronden voor een veroordeling in proceskosten aanwezig. Het arrest is op 12 mei 2017 in het openbaar uitgesproken door raadsheren Wortel, Groeneveld en Beukers-van Dooren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden in het beroepschrift en het niet tijdig herstellen van dit verzuim.