Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 23 december 2016, nr. BRE 15/4404, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 26 juli 2016.
Hoge Raad
In deze bestuursrechtelijke en belastingrechtelijke zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende beoordeeld tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het cassatieberoep betrof het verzet tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten onvoldoende grond bieden voor behandeling in cassatie. Dit omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak werd op 12 mei 2017 in het openbaar gewezen door de raadsheer Wortel als voorzitter, met de raadsheren Groeneveld en Beukers-van Dooren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Treuren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.