Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
28 februari 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd vervolgd wegens belaging van zijn zus door haar stelselmatig per brief en telefoon te benaderen. In hoger beroep voerde de verdediging aan dat het handelen van de verdachte geen wederrechtelijk karakter had vanwege het wederzijdse contact en het eigen, door het recht erkend subjectief belang van de verdachte.
De Hoge Raad overwoog dat het begrip wederrechtelijkheid in het belagingsdelict inhoudt dat er geen toestemming mag zijn van de persoon wiens persoonlijke levenssfeer wordt geschonden. De verdediging stelde dat er sprake was van wederzijds contact, waarbij de aangeefster zelf ook regelmatig contact opnam en daarmee impliciete toestemming gaf.
De Hoge Raad constateerde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door te stellen dat toestemming niet aan het aannemen van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer in de weg staat. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat voor een bewezenverklaring van belaging moet worden vastgesteld dat de inbreuk ongewenst was en dat dit voor de belager kenbaar was.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met het feit dat de aangeefster gedurende drie maanden regelmatig contact opnam en zelfs afspraken maakte, wat impliciete toestemming impliceert. Daarom kan het arrest niet in stand blijven en verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onvoldoende belang en onjuiste rechtsopvatting over wederrechtelijkheid bij belaging.