Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
16 mei 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarbij de aanvrager is veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Het hof had de aanvrager veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en ter beschikkingstelling.
De aanvraag tot herziening betrof onder meer de stelling dat de verklaring van het slachtoffer feitelijk onmogelijk en onjuist zou zijn, en dat de conclusies van het hof over DNA-sporen onjuist waren. De Hoge Raad overwoog dat de aangevoerde feiten en argumenten reeds bekend waren bij het hof en dat het aantreffen van verschillende DNA-profielen niet in strijd is met het bewezenverklaarde.
De Hoge Raad concludeerde dat de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat er geen nieuw, bij het onderzoek onbekend gegeven is dat tot een andere uitkomst zou kunnen leiden. Daarom werd het verzoek tot herziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid.