Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
16 mei 2017.
Hoge Raad
Betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter zijn er geen middelen van cassatie namens betrokkene ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman. De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring.
De Hoge Raad oordeelt dat het ontbreken van een schriftuur met middelen van cassatie binnen de termijn, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, in verbinding met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering, betekent dat betrokkene niet kan worden ontvangen in het beroep. Hierdoor wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 16 mei 2017, waarbij de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink het arrest hebben gewezen.
Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.