Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
19 mei 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft de vaststelling van de draagkracht van de man, directeur-grootaandeelhouder van een BV, voor het bepalen van kinderalimentatie. De rechtbank had een bedrag vastgesteld, het hof verlaagde dit op basis van het inkomen uit dienstbetrekking en weigerde rekening te houden met de winst van de BV als inkomen.
De vrouw stelde dat naast het salaris ook de vennootschapswinst in redelijkheid tot de draagkracht behoort, terwijl de man dit betwistte en stelde dat hij de winst niet kon uitkeren vanwege de continuïteit van de onderneming. Het hof motiveerde onvoldoende waarom de winst niet als inkomen kon worden aangemerkt en negeerde essentiële stellingen van de vrouw.
De Hoge Raad oordeelt dat bij de draagkrachtberekening niet alleen het feitelijk inkomen, maar ook het in redelijkheid te verwerven inkomen moet worden betrokken, waaronder de winst van de BV. Het hof heeft zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd en de zaak wordt vernietigd en verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak voor hernieuwde beoordeling naar het gerechtshof Amsterdam.