Uitspraak
wonende te Marokko,
zetelende te Den Haag,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.De prejudiciële procedure
3.Beantwoording van de prejudiciële vragen
4.Beslissing
19 mei 2017.
Hoge Raad
In deze prejudiciële beslissing behandelt de Hoge Raad de erkenning van in het buitenland tot stand gekomen familierechtelijke betrekkingen, specifiek in het kader van een kind geboren uit een polygamisch huwelijk volgens buitenlands recht. De zaak betreft de vraag of een kind dat geboren is uit een polygamisch huwelijk waarvan het polygame karakter later is komen te vervallen, van rechtswege het Nederlanderschap kan verkrijgen op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
De Hoge Raad stelt vast dat de erkenning van een familierechtelijke betrekking die voortvloeit uit een buitenlands huwelijk dat in Nederland niet wordt erkend wegens polygamie, wordt geweigerd op grond van de openbare orde. De fait accompli-exceptie (art. 10:9 BW Pro) en het kinderrechtenverdrag (IVRK) bieden geen grond voor een afwijkende beoordeling. Wanneer het polygame karakter van het huwelijk later vervalt, kan het huwelijk en de daaruit voortvloeiende familierechtelijke betrekkingen wel erkend worden, maar de verkrijging van het Nederlanderschap heeft geen terugwerkende kracht.
De Hoge Raad benadrukt dat het Nederlanderschap moet worden beoordeeld naar de situatie ten tijde van de geboorte van het kind. Een latere erkenning van het huwelijk of van het ouderschap leidt niet tot terugwerkende kracht van het Nederlanderschap. Wel kan een kind Nederlander worden door erkenning of gerechtelijke vaststelling van het ouderschap na de geboorte, conform art. 4 RWN Pro. De beslissing draagt bij aan rechtszekerheid omtrent nationaliteitsvraagstukken bij complexe familierechtelijke situaties.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat een kind geboren uit een polygamisch huwelijk dat later niet-polygamisch wordt erkend, niet van rechtswege Nederlander wordt met terugwerkende kracht tot de geboorte.