Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
23 mei 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door de Kantonrechter Oost-Brabant op 28 april 2015 schuldig verklaard aan overtreding van een voorschrift van de Algemene Plaatselijke Verordening van de Gemeente Cranendonck 2010, met toepassing van art. 9a Sr, zonder strafoplegging.
Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk omdat volgens art. 404 Sv Pro tegen dit soort vonnissen geen hoger beroep openstaat indien geen straf is opgelegd. De Hoge Raad oordeelt dat dit onjuist is omdat in dat geval wel cassatieberoep openstaat.
De Hoge Raad stelt dat degene die een rechtsmiddel instelt geacht wordt het wettelijk toegestane middel te hebben bedoeld. Het hof had het beroep van verdachte moeten verstaan als cassatieberoep en de stukken aan de Griffier moeten zenden. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de stukken worden aan de Hoge Raad overgedragen voor verdere behandeling.
Deze uitspraak benadrukt de juiste toepassing van art. 404 Sv Pro en de procedurele rechten van verdachte bij overtredingszaken zonder strafoplegging.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en het beroep van verdachte wordt als cassatieberoep behandeld.