ECLI:NL:HR:2017:96

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2017
Publicatiedatum
26 januari 2017
Zaaknummer
16/01887
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping arrest Hoge Raad inzake loonbelasting naheffingsaanslag en boetebeschikking

In deze zaak heeft belanghebbende, een besloten vennootschap, cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland over een boetebeschikking en naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen over maart 2015.

De Hoge Raad wees op 7 oktober 2016 een arrest zonder belanghebbende de gelegenheid te bieden te reageren op het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën. Na ingebrekestelling kreeg belanghebbende alsnog de mogelijkheid een conclusie van repliek in te dienen, wat tijdig gebeurde. De Staatssecretaris zag af van een dupliek.

Gelet op het ontbreken van hoor en wederhoor bij het eerste arrest, herroept de Hoge Raad dit arrest en verklaart het cassatieberoep ongegrond. Het middel van belanghebbende leidt niet tot cassatie omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevat.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en spreekt het arrest uit in aanwezigheid van de vice-president en raadsheren op 27 januari 2017.

Uitkomst: Het arrest van 7 oktober 2016 wordt herroepen en het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

27 januari 2017
Nr. 16/01887
Arrest
gewezen tot herroeping van het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2016, nr. 16/01887, ECLI:NL:HR:2016:2280, gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord-Hollandvan 26 februari 2016, nr. HAA 15/4081 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende de boetebeschikking, gegeven bij de aan belanghebbende over het tijdvak 1 maart 2015 tot en met 31 maart 2015 opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Het arrest in het geding

1.1.
Op 18 juli 2016 heeft de Staatssecretaris van Financiën in deze zaak een verweerschrift ingediend.
1.2.
De Hoge Raad heeft op 7 oktober 2016 arrest gewezen, zonder belanghebbende de gelegenheid te bieden op dat verweerschrift te repliceren.
1.3.
Bij brief van 24 oktober 2016 heeft de griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende alsnog de gelegenheid geboden binnen vier weken na dagtekening van die brief een conclusie van repliek in te dienen bij de Hoge Raad.
1.4.
Belanghebbende heeft tijdig een conclusie van repliek ingediend.
1.5.
De Staatssecretaris heeft laten weten dat zijnerzijds geen conclusie van dupliek zal worden ingediend.
2. Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 1 is overwogen is het arrest van 7 oktober 2016, nr. 16/01887, voortijdig gewezen en dient dat arrest te worden herroepen.

3.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
herroept het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2016, nr. 16/01887, en
verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2017.