Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.Eerdere herzieningsaanvraag
3.De aanvraag tot herziening
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
30 mei 2017.
Hoge Raad
De aanvrager heeft een verzoek tot herziening ingediend tegen een vonnis van de kantonrechter Rotterdam, waarin hij werd veroordeeld voor een snelheidsovertreding op 27 mei 2012. De veroordeling betrof een werkstraf van 25 uren, subsidiair 12 dagen hechtenis.
Eerder had de Hoge Raad een soortgelijk herzieningsverzoek afgewezen omdat de aangevoerde persoonsverwisseling onvoldoende werd ondersteund. De huidige aanvraag steunt op dezelfde grondslag: dat niet de aanvrager, maar een andere persoon de overtreding heeft begaan. Dit wordt ondersteund door schriftelijke verklaringen en een kopie van het rijbewijs van die persoon.
De Hoge Raad overweegt dat deze nieuwe aanvraag niet ontvankelijk is omdat zij dezelfde ongenoegzame gronden bevat als de eerdere aanvraag. De verklaring van de andere persoon is onvoldoende bewijs, en het proces-verbaal vermeldt dat de staande gehouden persoon zijn eigen personalia en rijbewijs heeft verstrekt.
Daarom verklaart de Hoge Raad het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee de eerdere afwijzing.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk wegens onvoldoende nieuwe gronden.