Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het door het Openbaar Ministerie voorgestelde middel
zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
3.Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel
4.Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de uitleg van het bestanddeel 'openlijk' in art. 141, eerste lid, Sr centraal. De verdachte werd vrijgesproken van openlijke geweldpleging gepleegd in een feestzaal waar een besloten verjaardag werd gevierd met ongeveer 40 genodigden. De deuren waren gesloten en er waren geen niet-genodigde gasten aanwezig.
Het Hof oordeelde dat het geweld zich voltrok in een besloten ruimte die slechts toegankelijk was voor genodigden en dat het geweld niet zichtbaar was vanaf de openbare weg. Hierdoor kon niet worden bewezen dat het geweld 'openlijk' was in de zin van art. 141 Sr Pro. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat 'openlijk' geweld zich zodanig moet manifesteren dat de openbare orde wordt verstoord en dat (potentieel) willekeurig publiek aanwezig was of had kunnen zijn.
De Hoge Raad gaf een uitgebreide toelichting op het begrip 'openlijk', waarbij onder meer de potentiële waarneembaarheid en de omvang van het publiek van belang zijn. Het arrest onderstreept het belang van een zorgvuldige motivering van het oordeel over openlijkheid, vooral in niet-evidente gevallen.
Het beroep van het Openbaar Ministerie en dat van de verdachte werden verworpen. De zaak werd terugverwezen voor hernieuwde berechting van andere feiten. Het arrest draagt bij aan de jurisprudentie over de afbakening van openlijke geweldpleging en de motiveringsplicht van rechters.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van openlijke geweldpleging omdat het geweld zich voltrok in een besloten ruimte zonder zichtbaarheid voor publiek.