Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
26 juni 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door betrokkene tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 september 2016. Het geschil draait om een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, specifiek voortkomend uit hennepteelt in twee ruimtes, aangeduid als ruimte A en E.
De kernvraag was of uit het gebruikte bewijsmateriaal kan worden afgeleid dat in ruimte A eerder een oogst heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad heeft het middel van cassatie beoordeeld en geoordeeld dat dit middel niet tot cassatie kan leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering vereist omdat het middel geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriep.
De Advocaat-Generaal had reeds geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Het arrest van de Hoge Raad is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, en is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 26 juni 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsvordering uit hennepteelt.