In deze zaak stond centraal of bij de berekening van de douanewaarde van goederen, geleverd onder de leveringsvoorwaarde Delivered Duty Paid (DDP), ook de nagevorderde antidumpingrechten in mindering moeten worden gebracht op de overeengekomen transactieprijs, ook indien de exporteur te kwader trouw was bij het opgeven van de oorsprong van de goederen.
Belanghebbende had bevestigingsmiddelen van roestvrij staal ingevoerd die volgens de aangiften afkomstig waren uit Indonesië, maar die in werkelijkheid uit China kwamen. Hierdoor was ten onrechte aanspraak gemaakt op een preferentieel tarief, terwijl antidumpingrechten van 85% verschuldigd waren. De Inspecteur bracht bij de berekening van de douanewaarde wel de nagevorderde douanerechten in mindering, maar niet de antidumpingrechten, omdat hij stelde dat het tarief van 85% de douanewaarde irreëel zou maken.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat artikel 33, aanhef en letter f, van het Communautair douanewetboek (CDW) niet van toepassing is indien de exporteur te kwader trouw is. De Hoge Raad verwierp dit oordeel en volgde het arrest Gaston Schul van het Hof van Justitie EU, dat bepaalt dat bij levering onder DDP de rechten bij invoer, inclusief antidumpingrechten, in mindering moeten worden gebracht op de prijs, ongeacht of de exporteur de ware oorsprong kende.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak terug naar de Inspecteur voor hernieuwde vaststelling van de douanewaarde en eventuele vermindering van de nagevorderde bedragen. Tevens werden proceskosten toegewezen aan belanghebbende.