Uitspraak
beiden wonende te [woonplaats],
zetelende te Den Haag,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
29 juni 2018.
Hoge Raad
In deze zaak hebben eisers beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 november 2016, waarin het hof hun vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad heeft beoordeeld. De zaak betreft een strafrechtelijke procedure waarin eisers na vrijspraak een schadevergoeding ontvingen op grond van artikel 89 Sv Pro en artikel 591a Sv. De kern van het geschil was of de Staat aansprakelijk was voor onrechtmatige overheidsdaad, mede gelet op de aanwezigheid van drie verschillende versies van een schriftelijke uitwerking van een telefoontap.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere uitspraken van rechtbank en hof voor het geding in feitelijke instanties en constateert dat de in cassatie aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie. Gezien artikel 81 lid 1 RO Pro is geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van eisers en veroordeelt hen in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee wordt het arrest van het hof bevestigd en blijft de schadevergoeding zoals door het hof vastgesteld in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bevestigd.