ECLI:NL:HR:2018:1025

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 juni 2018
Publicatiedatum
27 juni 2018
Zaaknummer
17/01231
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 89 SvArt. 591a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep in cassatie inzake onrechtmatige overheidsdaad en schadevergoeding na vrijspraak

In deze zaak hebben eisers beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 november 2016, waarin het hof hun vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad heeft beoordeeld. De zaak betreft een strafrechtelijke procedure waarin eisers na vrijspraak een schadevergoeding ontvingen op grond van artikel 89 Sv Pro en artikel 591a Sv. De kern van het geschil was of de Staat aansprakelijk was voor onrechtmatige overheidsdaad, mede gelet op de aanwezigheid van drie verschillende versies van een schriftelijke uitwerking van een telefoontap.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere uitspraken van rechtbank en hof voor het geding in feitelijke instanties en constateert dat de in cassatie aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie. Gezien artikel 81 lid 1 RO Pro is geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

De Hoge Raad verwerpt het beroep van eisers en veroordeelt hen in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee wordt het arrest van het hof bevestigd en blijft de schadevergoeding zoals door het hof vastgesteld in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bevestigd.

Uitspraak

29 juni 2018
Eerste Kamer
17/01231
LZ/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
advocaten: mr. K. Teuben en mr. G.C. Nieuwland.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als eisers en de Staat.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak 242204/HA ZA 05-1469 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 januari 2010;
b. de beschikking in de zaak 200.065.022/03 van het gerechtshof Den haag van 21 april 2015;
c. het arrest in de zaak 200.065.022/04 van het gerechtshof Den Haag van 22 november 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben eisers beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van eisers heeft bij brief van 4 mei 2018 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt eisers in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 854,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de vice-president W.A.M. van Schendel en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, V. van den Brink en A.L.J. van Strien, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
29 juni 2018.