Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 juni 2016, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag werd behandeld. De zaak betrof een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en de conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de ingediende middelen oordeelde de Hoge Raad dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden. Er was geen noodzaak tot nadere motivering, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Ten aanzien van de proceskosten vond de Hoge Raad geen gronden voor een veroordeling. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2018. Hiermee werd het beroep in cassatie ongegrond verklaard en het vonnis van het hof bevestigd.