Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond een verdachte terecht voor doodslag door het slachtoffer met een mes in de hals te steken. De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 4 december 2017.
Namens de verdachte werd een schriftuur ingediend door zijn advocaat. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit was omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.
Gehoord de Procureur-Generaal en op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is op 3 juli 2018 gewezen door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.