Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd verdacht van meerdere woninginbraken en deelname aan een criminele organisatie in Soest. De verdediging stelde dat een vormverzuim was begaan bij een verkeerscontrole op 20 februari 2015, waarbij het voertuig van verdachte werd stilgehouden en inbrekerswerktuigen werden aangetroffen. Dit vormverzuim zou volgens de verdediging moeten leiden tot bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a Sv.
Het hof oordeelde dat de controle niet plaatsvond binnen het voorbereidend onderzoek ter zake van de tenlastegelegde feiten, die pas later in de periode van juni tot juli 2015 zijn gepleegd. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verduidelijkt dat artikel 359a Sv alleen van toepassing is op vormverzuimen die zijn begaan binnen het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van de aan hem tenlastegelegde feiten.
De Hoge Raad wijst erop dat hoewel verdachte voorafgaand aan de controle al in verband werd gebracht met eerdere woninginbraken, het voorbereidend onderzoek voor de tenlastegelegde feiten pas begon nadat het aantal inbraken significant was afgenomen na zijn aanhouding wegens vernieling. Het beroep in cassatie wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het vormverzuim leidt niet tot bewijsuitsluiting.