ECLI:NL:HR:2018:1075

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2018
Publicatiedatum
3 juli 2018
Zaaknummer
16/05625
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f SrArt. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf in cassatiezaak mensenhandel na overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag in een strafzaak over meermalen gepleegde mensenhandel (art. 273f Sr). De verdachte stelde meerdere klachten voor, waaronder dat het arrest innerlijk tegenstrijdig was vanwege een partiële vrijspraak, dat het hof misbruik van een kwetsbare positie onvoldoende had bewezen en dat ten onrechte geen voortgezette handeling was aangenomen.

De Hoge Raad oordeelde dat de eerste drie klachten niet tot cassatie konden leiden, omdat deze geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden.

Deze overschrijding leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 48 maanden (waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar) naar 46 maanden, met dezelfde voorwaarden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor zover het de strafduur betrof en bevestigde het verder ongewijzigd.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 48 naar 46 maanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

3 juli 2018
Strafkamer
nr. S 16/05625
SK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 13 oktober 2016, nummer 22/001244-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Namens de benadeelde partij [betrokkene 1] heeft L. Wellen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadslieden van de verdachte hebben een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde namens de verdachte voorgestelde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het vierde namens de verdachte voorgestelde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4.Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze 46 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 juli 2018.