Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede en het derde middel
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor onder meer hennepteelt, diefstal van elektriciteit en het opzettelijk veroorzaken van een stoornis in de werking van een elektriciteitswerk. Tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 juni 2015 stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde de middelen van cassatie en oordeelde dat de middelen betreffende de bewijsvoering en de ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding niet tot cassatie konden leiden. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed.
Dit leidde tot de conclusie dat de opgelegde gevangenisstraf van tien maanden verminderd moest worden tot negen maanden. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan op 3 juli 2018 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van tien naar negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.