Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
3.Slotsom
4.Beslissing
10 juli 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor openlijke geweldpleging samen met een ander tegen drie jongens in Arnhem, waarbij hij volgens het hof letsel had toegebracht aan een van de slachtoffers. De bewezenverklaring baseerde zich op getuigenverklaringen, camerabeelden en medische rapporten.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat de zwaardere strafbedreiging van art. 141, tweede lid, Sr alleen geldt voor degene die zelf het letsel heeft toegebracht. Uit de bewijsvoering kon niet zonder meer worden afgeleid dat het letsel bij het slachtoffer door het geweld van de verdachte zelf was veroorzaakt. Het hof had niet gemotiveerd waarom het geweld van anderen niet in de weg stond aan het toerekenen van het letsel aan de verdachte.
Daarom is de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd voor het toerekenen van het letsel aan de verdachte. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.
De zaak betreft een incident op 23 februari 2014 in de Varkensstraat te Arnhem waarbij de verdachte en een medeverdachte betrokken waren bij een vechtpartij met meerdere jongens. Diverse getuigen en camerabeelden bevestigen het geweld, maar de causaliteit van het letsel aan de verdachte is niet voldoende vastgesteld.
De Hoge Raad benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij het toerekenen van letsel in gevallen van openlijke geweldpleging in vereniging.
Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent toebrenging letsel, zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting.