Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
10 juli 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte, geboren in 1996, beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag dat hem veroordeelde voor een reeks vermogensdelicten. De advocaat van de verdachte heeft middelen van cassatie voorgesteld, gericht op het ontbreken van voldoende bewijs voor opzet en poging tot gekwalificeerde diefstal.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad heeft dit advies gevolgd. De middelen van cassatie zijn niet ontvankelijk bevonden om inhoudelijk te worden behandeld, omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, met raadsheren M.J. Borgers en M.T. Boerlage, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 10 juli 2018. Hiermee blijft het hofarrest in stand en wordt het cassatieberoep van de verdachte verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen, het hofarrest blijft in stand.