Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
10 juli 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 28 juni 2017, waarin hij werd veroordeeld voor doodslag en bedreiging. De verdediging heeft namens de verdachte een schriftuur ingediend ter onderbouwing van het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is uitgesproken op 10 juli 2018 door de Strafkamer van de Hoge Raad, onder voorzitterschap van vice-president W.A.M. van Schendel, met raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink. De uitspraak bevestigt dat niet elk cassatieberoep wordt toegelaten en benadrukt het belang van voldoende gronden en belang bij cassatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard.