De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag in een strafzaak tegen een verdachte die leiding gaf aan het illegaal op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Het hof had geoordeeld dat de kosten van vernietiging van inbeslaggenomen middelen niet op de verdachte konden worden verhaald en verwierp het niet-ontvankelijkheidsverweer van de verdachte tegen het Openbaar Ministerie.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de kosten van vernietiging niet op grond van art. 8.c WED op de verdachte konden worden verhaald, omdat deze maatregel niet aan de verdachte was opgelegd en het hof daartoe ook niet bevoegd was. Tevens stelde de Hoge Raad vast dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het niet-ontvankelijkheidsverweer van de verdachte werd verworpen, terwijl het OM zich op het handhavingsbeleid had gebaseerd dat in beginsel bestuurlijke boetes voorschrijft.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het deze punten betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. De zaak betreft een complexe economische strafzaak met meerdere aantallen en soorten gewasbeschermingsmiddelen die zonder toelating op de markt zijn gebracht, waarbij het OM strafrechtelijk heeft opgetreden ondanks het geldende handhavingsbeleid dat bestuurlijke boetes prefereert.