Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
10 juli 2018.
Hoge Raad
Klaagster had een klaagschrift ingediend tegen het beslag op het motorblok en de versnellingsbak van haar auto, die volgens onderzoek van het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit van diefstal afkomstig waren. De officier van justitie had de auto teruggegeven met uitzondering van deze onderdelen en kondigde een separate vordering tot onttrekking aan het verkeer aan.
De Rechtbank Amsterdam oordeelde dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van deze onderdelen omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter ze zal onttrekken aan het verkeer. Dit oordeel was gebaseerd op de aard van de voorwerpen en het belang van effectieve bestrijding van handel in gestolen auto-onderdelen.
De Hoge Raad bevestigt deze maatstaf en oordeelt dat het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk of onjuist is. Ook het feit dat klaagster te goeder trouw is en geen verdachte is, sluit onttrekking niet uit. De Hoge Raad verwerpt het beroep van klaagster en verklaart het klaagschrift ongegrond.
De rechtbank wees er op dat bij een eventuele onttrekking aan het verkeer een billijke tegemoetkoming kan worden toegekend ter compensatie van geleden nadeel. Klaagster wordt geadviseerd haar goede trouw en schade bij de latere behandeling van de onttrekkingsvordering te onderbouwen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het beslag op de motorblok en versnellingsbak blijft gehandhaafd.