ECLI:NL:HR:2018:1151

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2018
Publicatiedatum
10 juli 2018
Zaaknummer
16/05997
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 552f SvArt. 36b SrArt. 36c Sr
Verwijzingen
7 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beslag op auto-onderdelen van diefstal afkomstig en voortduren beslag

Klaagster had een klaagschrift ingediend tegen het beslag op het motorblok en de versnellingsbak van haar auto, die volgens onderzoek van het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit van diefstal afkomstig waren. De officier van justitie had de auto teruggegeven met uitzondering van deze onderdelen en kondigde een separate vordering tot onttrekking aan het verkeer aan.

De Rechtbank Amsterdam oordeelde dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van deze onderdelen omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter ze zal onttrekken aan het verkeer. Dit oordeel was gebaseerd op de aard van de voorwerpen en het belang van effectieve bestrijding van handel in gestolen auto-onderdelen.

De Hoge Raad bevestigt deze maatstaf en oordeelt dat het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk of onjuist is. Ook het feit dat klaagster te goeder trouw is en geen verdachte is, sluit onttrekking niet uit. De Hoge Raad verwerpt het beroep van klaagster en verklaart het klaagschrift ongegrond.

De rechtbank wees er op dat bij een eventuele onttrekking aan het verkeer een billijke tegemoetkoming kan worden toegekend ter compensatie van geleden nadeel. Klaagster wordt geadviseerd haar goede trouw en schade bij de latere behandeling van de onttrekkingsvordering te onderbouwen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het beslag op de motorblok en versnellingsbak blijft gehandhaafd.

Uitspraak

10 juli 2018
Strafkamer
nr. S 16/05997 B
ARA/AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 29 november 2016, nummer RK 16/5130, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klaagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de onder de klaagster inbeslaggenomen voorwerpen, te weten het motorblok en de versnellingsbak van haar auto, aan het verkeer zullen worden onttrokken.
2.2.
De Rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot teruggave van de onder de klaagster inbeslaggenomen voorwerpen, ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
"Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Op 31 mei 2016 is onder klaagster een auto in beslag genomen. Uit onderzoek door de forensisch voertuigidentificatie-onderzoeker van het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit (LIV) is gebleken dat twee onderdelen van de auto, te weten het motorblok en de versnellingsbak, van diefstal afkomstig zijn. Op 18 juli 2016 is door de officier van justitie reeds een last tot teruggave verstrekt van de inbeslaggenomen auto, met uitzondering van het motorblok en de versnellingsbak.
De officier van justitie heeft in raadkamer bevestigd dat klager geen verdachte is en dat het Openbaar Ministerie een separate vordering tot onttrekking aan het verkeer zal indienen.
In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als dat niet zo is, komt de vraag aan de orde of klager te goeder trouw is en redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor - in dit geval - artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.
In het onderhavig geval is sprake van een voorwerp dat volgens het Openbaar Ministerie vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer.
Het Openbaar Ministerie heeft in het indienen van het klaagschrift door klager kennelijk geen aanleiding gezien de vordering tot onttrekking aan het verkeer in te dienen opdat deze gelijktijdig met het klaagschrift kon worden behandeld en kennelijk is bij het bepalen van het schriftelijk standpunt deze gedachte ook niet opgekomen. Hoe dan ook, nu de officier van justitie ter terechtzitting heeft aangekondigd dat de desbetreffende vordering alsnog zal worden gedaan, dient de rechtbank te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter die later moet beslissen op de vordering ex artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering, de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de auto zal toewijzen en de auto aan het verkeer zal onttrekken.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de rechter die over de onttrekking aan het verkeer zal moeten beslissen van oordeel is dat het hier voorwerpen betreft die van diefstal afkomstig zijn en waarvan het ongecontroleerde bezit van zodanige aard is dat het afbreuk doet aan een effectieve voorkoming en bestrijding van met gestolen auto-onderdelen bedreven handel en dat dit ongecontroleerde bezit daarom in strijd is met de wet of het algemeen belang. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het motorblok en de versnellingsbak zal onttrekken aan het verkeer.
De omstandigheden dat de inbeslaggenomen voorwerpen eigendom zijn van klager, zij niet als verdachte wordt aangemerkt van enig strafbaar feit en dat zij te goeder trouw is, brengen niet mee dat er geen sprake kan zijn van ongecontroleerd bezit in de zin van artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht en staan aan de oplegging van de maatregel van onttrekking aan het verkeer met in de weg.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat in geval van onttrekking aan het verkeer aan de rechthebbende ter compensatie van eventueel daardoor geleden nadeel conform artikel 36b van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 33c lid 2 van het Wetboek van Strafrecht een billijke tegemoetkoming kan worden toegekend zodat klaagster niet onevenredig wordt getroffen. Klaagster doet er dus verstandig aan te zijner tijd bij de behandeling van de vordering tot onttrekking aan het verkeer de door haar gestelde schade te staven en zoveel mogelijk te onderbouwen dat en waarom sprake is van goede trouw."
2.3.
Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een op de voet van art. 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomen voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv.
2.4.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het motorblok en de versnellingsbak zal onttrekken aan het verkeer op de grond dat niet kan worden uitgesloten dat de rechter die over de onttrekking aan het verkeer zal moeten beslissen van oordeel is dat het voorwerpen betreft die van diefstal afkomstig zijn en waarvan het ongecontroleerde bezit van zodanige aard is dat het afbreuk doet aan een effectieve voorkoming en bestrijding van met gestolen auto-onderdelen bedreven handel en dat dit ongecontroleerde bezit daarom in strijd is met de wet of het algemeen belang. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, geeft dit oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
2.5.
Het middel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in het bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 juli 2018.